Anders leren kijken

Regelmatig open ik mijn bankers box en kom dan een groeiende reeks van korte notities, knipsels, interessante artikelen en anders inspiratiebronnen tegen die ik ooit nog eens van kanttekeningen zou willen voorzien en in een persoonlijk perspectief plaatsen. Zo ook het artikel dat een paar maanden geleden in de krant verscheen over deeltijdwerk[1] en waarin verwezen werd naar een recent verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Wat mij daarin trof was niet zozeer het feit dat jonge vrouwen meer in deeltijd werken dan jonge mannen, iets wat mij niet vreemd voorkwam, maar de framing ervan, de plaatsing in een bepaalde context. Een context die sterk gekleurd is door het economische mainstream denken in onze samenleving.

 

Voordat ik inga op de strekking van rapport en artikel en daar een andere draai aan geef vanuit een zich voorzichtig aftekenend nieuw paradigma, wil ik kort iets kwijt over die framing, die ik ook interpreteer als een eendimensionaal kijken naar de werkelijkheid welke ons dagelijks denken en handelen beïnvloedt. Het overheersende frame van vandaag de dag bestaat uit een mix van bureaucratisch en marktdenken. Kort gezegd, een mengsel van regels, procedures en afspraken waarnaar ieder van ons moet handelen, gekoppeld aan een succesverhaal over onderscheidend vermogen, concurrentie en individueel welbevinden. Of we het hebben over de private sector of over de publieke sector, velen die in het arbeidsproces betrokken zijn herkennen de sturingsmechanismen die compact samengevat bestaan uit een ‘lastig’ samenstel van gehoorzaamheid aan de hiërarchie en prestatiemoraal van het economisch succes.

 

Maar, waar een groeiend aantal mensen zich steeds meer van bewust wordt, is dat niet alleen ons arbeidsbestel, maar ook onze samenleving zichzelf vastzet en onwenselijke externaliteiten produceert, zoals lage arbeidssatisfactie, ziekte, uitval, afhaken, eenzaamheid en gevoelens van desinteresse en zelfs zin- en betekenisloosheid. Als we het overheersende verhaal kort aanduiden met ‘economisme’ – al ons handelen èn denken wordt bezien vanuit economische waarden als kostenreductie, omzetverhoging, snellere en slimmere productie en dienstverlening, geplande en te realiseren resultaten – dan constateren we dat we te maken hebben met een individualistisch mensbeeld. Het individu beschikt over maximale informatie, streeft naar maximale materiële behoeftebevrediging, is volledig verantwoordelijk voor zijn eigen leven en toekomst en wordt tevreden gesteld door schijnbaar onbeperkte consumptie. Met enige pathos: het systeem brengt hem in een weldadige halfslaap.

 

Nu terug naar de aanleiding. In het rapport van het SCP wordt uitvoerig verslag gedaan van het onderzoek gedurende de afgelopen decennia naar de status van deeltijdwerk in het algemeen en van de positie van de jonge vrouw in het bijzonder. Er wordt geconstateerd dat sprake is van een emancipatie-paradox – vrouwen hebben een voorsprong in het onderwijs, maar een achterstand op de arbeidsmarkt - dat vrouwen in een deeltijdklem zitten en mannen in een voltijdklem en dat deeltijd vanuit emancipatieoverwegingen aanvankelijk werd toegejuicht en sinds anderhalf decennium als een probleem wordt gezien. Wat steekt hier achter? Voor mij betekent het dat emancipatiedenken – conform het frame van deze tijd - economisch geladen wordt. Met andere woorden, de focus van economische zelfstandigheid wordt van groter belang geacht dan de toegevoegde waarde van de vrouw (en ook van de man) voor samenleving en opvoeding. Hoewel veel vrouwen minder waarde hechten aan geld dan mannen en ook carrière en status minder belangrijk vinden – uitspraken die overigens nogal gemakkelijk worden verklaard uit gewoonte en cultuur – worden ze door het economische frame impliciet gedwongen om zich vanuit het discours van het overheersende economisme te gaan gedragen. Dat betekent talent inzetten voor werk, meer werken, meer verdienen en daarmee maatschappelijk een zelfstandiger positie innemen. Het klinkt niet onredelijk, maar is dit nu echt waar het omgaat?

 

Hier komen we bij wat ik boven genoemd heb “het voorzichtig aftekenend nieuwe paradigma”. Natuurlijk moeten mannen en vrouwen dezelfde rechten hebben, voor hetzelfde werk hetzelfde verdienen, gelijke toegang tot de arbeidsmarkt hebben en gelijke kans hebben om op te klimmen, maar er is nog iets anders aan de hand. Als we de discussie over deeltijdwerk uitsluitend vanuit een economisch materialistisch groeiperspectief blijven bekijken dan negeren we twee trends: de behoefte aan kwaliteit van het werk en de behoefte aan zingeving vanuit een omvattender perspectief dan het economische. Om met het eerste te beginnen. De eerder genoemde onwenselijke externaliteiten van werk heeft veel te maken met het feit dat deelnemers aan het arbeidsproces in het gareel moeten lopen en hun (professionele) kwaliteiten onvoldoende gezien en gewaardeerd worden. Er wordt steeds meer van hen verwacht en er staat steeds minder tegenover, met gevoelens van vervreemding als neveneffect. Hannah Arendt heeft daar in haar magistrale boek ‘The human condition’ (1958) reeds op gewezen. Zij geeft aan dat het actieve leven (Vita Activa) naast arbeid (om te overleven) en werk (vormgeving met behulp van instrumenten) ook uit handelen bestaat. Juist dit handelen verwijst naar zin- en betekenisgeving. In de ontmoeting van mensen ontstaat een publieke ruimte waarin mensen met elkaar relaties en interacties aangaan gericht op gemeenschapszin. Dit inzicht bracht mij tot de conclusie dat we heel erg blij moeten zijn met kwalitatief goed deeltijdwerk, naast ontmoeting, zorg voor elkaar, zorg voor opleiding en ontwikkeling, zorg voor de gemeenschap die verder gaat dan onzichtbaar produceren en opzichtig consumeren. Niet het model van de voltijdwerkende man, zijn uitgelijnde carrièrepaden en succesvolle stappen omhoog zouden leidend moeten zijn, maar het model van de deeltijdwerkende vrouw. Zij creëert ruimte en tijd voor zichzelf, haar eigen ontwikkeling en die van haar directe en zelfs indirecte omgeving. Dat model past veel beter in een synergetisch-holistisch paradigma, waarin niet de materie, het bezit of het proces centraal staat, maar de mens met al zijn kwaliteiten, die bij kunnen dragen aan een gemeenschap die mogelijkheden opent en kansen biedt.

 

Jammer dat een planbureau dat zich primair met de toekomst zou moeten bezighouden alleen de geschiedenis belicht vanuit verleden en heden en zich niet de vraag stelt waar we met z’n allen nu echt behoefte aan hebben. Jammer ook dat een goede krant, vanuit z’n kritische journalistieke functie niet in staat is hierop te corrigeren en de geconstateerde ‘gewoonte’ en ‘cultuur’ gewoon voor gegeven beschouwt.

 

[1] Het artikel ‘Vrouw werkt uit gewoonte in deeltijd’ in Trouw van 23 januari 2018 is geschreven door Jeannine Julen. Het rapport van het SCP is getiteld ‘Werken aan de start’.

Terug...

^ Naar boven