Voorbij de klittende ideologieën

De twee onderliggende ideologieën blijken niet meer te verenigen en ook het uitruilen van geprefereerde issues door onze regering stuit op groeiend onbegrip van burgers. Het leidt zelfs tot verminderde legitimiteit van de overheid als geheel. Met de laatste gemeenteraadsverkiezingen zijn twee dingen heel duidelijk geworden: de lokale partijen die opkomen voor lokale behoeften, scoren hoog èn de gevestigde partijen, die vergroeid zijn met het pluche, vertonen slijtageverschijnselen. Deze verschijnselen blijken nu net de reden te zijn voor initiatieven van innovatieve burgers, besturen en bedrijven om meerdimensionaal en geschakeld te werken aan gedeelde waarde (shared value). Hoe zit dat dan met de erosie van staat en markt? Hoe raken ze elkaar en in welke richting bewegen we ons?

 

 Laat ik beginnen met de verzorgingsstaat. In dit arrangement is sprake van een sterke en belerende overheid, die voortdurend intervenieert in het leven van mensen (van geboorte tot graf) en ook sterk regisserend en hiërarchiserend is in de beleidscyclus (agendavorming, visie, beleid, uitvoering en evaluatie). Duidelijk is dat de verzorgingsstaat nu van vele kanten onder vuur ligt. De transitie van de overheid er op neer dat zij niet meer óver mensen moet gaan, maar dat zij mensen moet helpen bij zelfsturing en bij het realiseren van publieke waarde. De overheid wordt daarmee meer faciliterend, dus dienstverlenend.

 

Maar ook het lang gekoesterde klassiek economische marktdenken brengt ons niet verder. Hier is de tegenbeweging van recenter datum. Ik wil hier wat langer bij stilstaan, omdat de kritiek op de traditioneel economische logica, waar ons systeem van doortrokken is, toch nog vaak blijkt af te glijden op het opgepoetste ideaal van onbeperkte vrijheid en het impliciet regulerende karakter van de ‘hidden hand’. Verankering van deze kritiek in nieuwe, tegengestelde waarden krijgt in de publiciteit nog weinig aandacht. We horen en lezen veel veroordelende verhalen over winstmaximaliserend gedrag van bedrijven, torenhoge (bouw)ambities van gemeenten, grenzeloos lenen van consumenten en naar bonussen graaiende topmanagers. Maar dat onze maatschappij als systeem zo in elkaar zit, dat eigendom zwaarder weegt dan gebruik, dat bezit belangrijker is dan toegang tot goederen, dat risico-zoekend gedrag als natuurlijker wordt voorgesteld dan risicio-mijdend gedrag blijft in de maatschappelijke vernieuwingsdiscussie onterecht onderbelicht.

 

Gedragseconomen hebben de achilleshiel van ons kapitalistische systeem gevonden en hebben wetenschappelijk bewezen dat de utiliteitstheorie van de oude economie in de vorm van nutsoptimalisatie geen juiste verwijzing is naar het gedrag van mensen. De prospecttheorie die hier tegenover wordt geplaatst baseert zich op feitelijk gedrag van mensen, waarin afkeer van verlies als gevolg van dreiging – risicomijding - van buitenaf een zwaarder gewicht krijgt dan de winst die gerealiseerd kan worden. Uit onderzoek tonen zij aan dat niet eigenbelang, maar eerlijkheid bepalend is voor economisch gedrag van mensen. Zij leiden daaruit af dat schending van de eerlijkheid bestraft wordt door minder productiviteit en dat oneerlijk prijsbeleid zal leiden tot dalende verkoopcijfers. Het sprongetje naar het binnenhalen van de moraal in de economie is niet ver meer als de onderzoekers – tot slot – suggereren dat een sterkere wetsbescherming logisch is voor mensen die verliezen leiden en daar onder gebukt gaan dan voor mensen die alleen maar geen winst maken. Als de economie dus aansluit bij menselijk gedrag en de moraal weer insluit dan krijgen begrippen als continuïteit en gebruikswaarde betekenis en krijgt economie weer menselijke trekken.

 

Wat zeggen deze twee uitstapjes naar onze verzorgingsstaat en markteconomie over de trends van zelfsturing en de verzorgende samenleving? Hoewel de ideologieën strijdig zijn met elkaar, hebben ze elkaar gevonden in de ontkenning van de mens, de menselijke maat en de menselijke behoefte. De markteconomie en de verzorgingsstaat plaatsen beide de moraal buiten haakjes. De eerste principieel, de tweede de facto. Schaalvergroting, centralisatie, doorgeschoten professionalisering en hiërarchische aansturing zijn strategieën die passen in het oude denken van een bedrijfsleven dat standaard bulkgoederen produceert en van een overheid die mensen als nummers behandelt, zonder naam, gezicht, of verhaal. Ze staan zelfsturing van burgers, medewerkers binnen organisaties en sociaal duurzaam ondernemerschap in de weg, maar óók een verzorgende samenleving die zich iets aantrekt van mensen die zich bedreigd voelen in hun voortbestaan.

 

 

 

De onderstroom in de samenleving wordt af en toe zichtbaar en komt naar de oppervlakte. Zelf gekozen en ontwikkelde bijdragen aan publieke waarden, de-materialisering van waarde, het hanteren van toekomstbestendige oplossingen voor complexe problemen (economische, ecologische en sociale) zijn kenmerkend voor wat tegenwoordig wordt aangeduid met civic economy. Hier en daar zien we dat de bovenstroom zich steeds meer bewust wordt van de beperkte en beperkende effecten van haar gedrag voor het grotere geheel, de samenleving. Een toenemend aantal grote bedrijven beseft dat het (mede)verantwoordelijk is voor de economische, sociale en ecologische stabiliteit van het gebied, die zich uitstrekt van de vestigingsplaats tot de wereld waaraan men levert. Dat betekent dat deze bedrijven meedenken over en meedoen aan het effectief realiseren van publieke waarden in de vorm van aandacht, betrokkenheid, kennis en geld. Ook steeds meer gemeenten beseffen dat met krimpende budgeten slimmere en meer duurzame oplossingen verzonnen moeten worden om een betere leefomgeving te realiseren. Inspirerende en tijdelijke op resultaatgerichte samenwerking met partners, die dezelfde basiswaarden delen, kan hierin voorzien. Daarmee ontstaan nieuwe vormen van governance en consortiumvorming rond complexe maatschappelijke vraagstukken. 

 

Terug...

^ Naar boven